| PPS-leidraad
moet uitverkoop van Vlaamse familiale bouwbedrijven tegengaan
De Vlaamse Confederatie Bouw (VCB) vreest dat Vlaamse familiale
bouwbedrijven bij projecten van PPS (publiek-private samenwerking)
van de kaart zullen worden geveegd. Indien de Vlaamse overheid bij
deze projecten te strikte referenties, onrealistische borgstellingen
en onhoudbare onderhoudsverbintenissen oplegt, dreigen uitsluitend
multinationale, financiële consortia bij deze projecten aan
de bak te komen. Op die manier zullen de tewerkstellings- en economische
baten uit de PPS-projecten aan Vlaanderen voorbijgaan.
Vanavond overhandigt de VCB aan minister-president Yves Leterme
een leidraad van 170 pagina’s met concrete adviezen om PPS
op maat van de Vlaamse familiale bouwbedrijven te organiseren. In
Vlaanderen moet de overheid Franse toestanden vermijden waarbij
nog slechts een drietal zeer grote bouwgroepen alle opdrachten boven
twee miljoen euro wegkapen.
Kernpunt van de leidraad is dat de overheid prioriteit moet blijven
geven aan klassieke aanbestedingen waarbij de aannemer zich kan
beperken tot zijn taak van aannemer-bouwer. Dit betekent dat de
Vlaamse regering haar eigen begrotingsinspanningen de komende jaren
moet optrekken. PPS beschouwt de VCB als positief in zoverre zij
extra investeringsmiddelen genereert, bovenop de investeringsinspanningen
van de overheid zelf. PPS-middelen mogen volgens de VCB nooit in
de plaats van publieke middelen komen.
De overheid mag ook nooit de risico’s zozeer op de private
schouders leggen dat de financiële instellingen hiervoor onnodig
hoge risicopremies gaan aanrekenen. Op die manier dreigt PPS op
lange termijn een te dure zaak te worden. Dan zal PPS een onevenredig
fors beslag gaan leggen op de mogelijkheden van de overheid om in
de toekomst nog te investeren. Extra investeringen nu zal de bouwsector
dan moeten bekopen met veel minder investeringen op langere termijn.
In haar leidraad stelt de VCB ook dat de spelregels bij PPS op
voorhand moeten vaststaan. Zij mogen in de loop van de onderhandelingen
niet meer worden gewijzigd. De opdrachtgever moet de prijs respecteren
die de inschrijver opgeeft. Hij mag het programma van eisen niet
in de loop van de onderhandelingen veranderen. Hij mag de knowhow
van de verschillende inschrijvers niet tegen elkaar uitspelen. Zoniet
dreigen talloze geschillen bij de Raad van State. En daar is ook
de overheid niet mee gediend. De overheid mag de langetermijnvergoedingen
voor de private bedrijven evenmin dermate drukken dat zij uiteindelijk
enkel tot het faillissement van het bedrijf zullen leiden. De opdrachtgevers
mogen de kandidaat-inschrijver niet tot nodeloos hoge studiekosten
verplichten.
PPS-projecten zullen voor de overheid op lange termijn pas financieel
voordeel opleveren indien zij goed worden voorbereid. Voor bepaalde
projecten – bijvoorbeeld voor min of meer gestandaardiseerde
woningbouwprojecten – zal de minimale schaal om aan PPS te
doen en naast de bouw ook het ontwerp en het onderhoud uit te besteden
lager liggen dan bij de hoogtechnologische ziekenhuisinstallaties.
Bij elke PPS-constructie moet de overheid dus goed de mogelijkheden
van de Vlaamse markt aftoetsen. Daarbij zullen ongetwijfeld nieuwe
vormen van synergie ontstaan. Zo gaan bouwbedrijven bij PPS-projecten
intensiever en in een vroeger stadium dan nu samenwerken met facility
bedrijven die zich toeleggen op het onderhoud van complexe gebouweninstallaties.
De conclusies van haar PPS-leidraad gaat de Vlaamse Confederatie
Bouw op 18 januari voorleggen aan de voltallige Vlaamse regering
in het kader van het VBOC (Vlaams Bouwoverlegcomité), het
rechtstreeks overlegorgaan van de bouwsector met de Vlaamse regering.
Marc Dillen
Directeur-generaal van de Vlaamse Confederatie Bouw
[ top ]
|