|
Half miljoen ton verontreinigde bodem zoek
Grondreinigingscentra werken op helft van capaciteit
Jaarlijks wordt ongeveer een half miljoen ton bodem uitgegraven die
niet zomaar van de bouwplaats mag worden verwijderd. Deze bodem is daarvoor
te ernstig verontreinigd en moet eerst worden gereinigd. De Vlaamse grondreinigingscentra
zijn volledig in staat om dit half miljoen ton te verwerken. Maar zij
krijgen deze bodem nooit te zien en draaien amper op de helft van hun
capaciteit. De Vlaamse Confederatie Bouw (VCB) vreest dat in Vlaanderen
de bodemverontreiniging onverminderd voortwoekert. De volksgezondheid
komt hierdoor in gevaar.
De 12 grondreinigingscentra die in Vlaanderen erkend zijn, hebben een
reinigingscapaciteit van ongeveer een miljoen ton per jaar uitgebouwd.
Zij kunnen al de beschikbare reinigingstechnieken toepassen (zowel biologische
als fysico-chemische en thermische reiniging) en kunnen elke verontreinigingsgraad
aan. De Vlaamse grondreinigingscentra hebben hiervoor zwaar geïnvesteerd:
in totaal ongeveer € 25 miljoen.
In haar regeerakkoord had de nieuwe regering uitdrukkelijk een vlugge
sanering van vervuilde gronden met gezondheidsrisico’s en een versnelde
heringebruikneming van vervuilde bedrijfsgronden in het vooruitzicht gesteld.
De grondreinigingscentra hebben hun capaciteit op deze beleidsvisie afgestemd
maar moeten met lede ogen aanzien dat hun capaciteit nu maar voor de helft
wordt benut. Zij ontvangen momenteel amper een half miljoen ton verontreinigde
bodem per jaar. Twee oorzaken liggen aan deze beperkte aanvoer ten gronde:
de ongecontroleerde verspreiding van verontreinigde uitgegraven bodem
en de te lage overheidsinvesteringen in bodemsaneringsprojecten.
Ten gevolge van de nieuwe regeling op het grondverzet moeten erkende
bodemsaneringsdeskundigen een technisch verslag over de milieukwaliteit
van de uit te graven bodem opstellen. Uit hun verslagen blijkt dat 4%
van de uit te graven bodem de bouwplaats niet mag verlaten zonder te worden
gereinigd.
Om nieuwe verontreiniging te vermijden is het soms best om licht verontreinigde
bodem op het terrein van de bouwplaats te laten liggen. Maar in heel wat
gevallen dringt een transport buiten de bouwplaats zich op. Waar de verontreinigde
bodem dan terecht komt, daar heeft de VCB het raden naar. De grondreinigingscentra
merken geen noemenswaardige toename van de aanvoer. De VCB heeft hen zopas
bevraagd. In deze enquête spreken zij zelfs van een daling.
Volgens de VCB is er maar één conclusie mogelijk: nog altijd
wordt heel wat verontreinigde bodem in het wilde weg verspreid. Nog te
weinig opdrachtgevers geven aan waar de aannemer de bodem moet storten.
Nog te veel afnemers van uitgegraven bodem aanvaarden ze zonder enige
garantie. Deze situatie kan niet blijven duren zonder ernstige gevolgen
voor het leefmilieu en de volksgezondheid.
Overheid moet ingrijpen
De VCB vraagt dat de Vlaamse overheid opdrachtgevers ertoe zou verplichten
aan te duiden waar de aannemer met de uitgegraven bodem naartoe moet.
Tevens moet zij afnemers uitdrukkelijk waarschuwen voor de risico’s
die zij lopen bij het aanvaarden van uitgegraven bodem zonder bodembeheerrapport.
Enkel via zo’n rapport kan de afnemer de herkomst van de bodem achterhalen.
Alleen een bodembeheerrapport garandeert op een sluitende wijze dat de
aangevoerde bodem beantwoordt aan de normen die specifiek van toepassing
zijn voor de plaats van bestemming, weze het woon-, industrie-, landbouw-
of natuurgebied.
Ook vanuit bodemsaneringsprojecten stokt de aanvoer. Ook na de recente
begrotingscontrole is het budget van de Vlaamse overheid voor ambtshalve
bodemsaneringen dit jaar beperkt gebleven tot amper € 10 miljoen.
Vlaanderen telt nochtans 13.000 terreinen die moeten worden gesaneerd.
De VCB pleit er dan ook voor dat het jaarlijks budget voor ambtshalve
bodemsaneringen minstens tot € 40 miljoen wordt verhoogd.
Tegelijk moeten de overheidsmiddelen voor bodemsaneringsprojecten efficiënter
worden beheerd. Volgens de VCB is het niet nodig dat de overheid de bodem
bij elk project saneert tot aan de achtergrondwaarde. In heel wat gevallen
volstaat het dat de overheid het betrokken terrein marktrijp maakt. Voor
een grondigere sanering kan zij dan een beroep doen op private ontwikkelaars.
Op die manier zal een verdubbeling van de overheidsinvesteringen tot een
verviervoudiging van het uiteindelijk saneringseffect leiden. Ook hiervoor
beschikken de Vlaamse grondreinigingscentra over de nodige reinigingscapaciteit.
Marc Dillen
Directeur-generaal van de Vlaamse Confederatie Bouw
[ top ]
|